Zoals Gerard Mangnus in 'De Bastei in Beeld' laat zien, staat helemaal aan het begin van de collectie van De Bastei de Jezuïet Leijdekkers, docent aan het Canisius College en verzamelaar van natuurhistorische en volkenkundige objecten. Ik moest onmiddellijk aan de grote Belgische dichter Guido Gezelle denken. Gezelle verzamelde woor­den, West-Vlaamse woorden. Hij vroeg er in zijn omgeving iedereen naar en noteerde ze ijverig.

Die eigen taal werd in zijn tijd voorna­me­lijk als een verwer­pe­lijk dialect beschouwd, maar Gezelle maakte er zijn poëtisch idioom van en hanteer­de de woorden virtuoos en met groot plezier. Een voor­beeld vin­den we in het vroege gedicht 'Boodschap van de vogels'. Dan blijkt dat hij ook nog iets anders verzamelde:

'Zanggebroeders uit het woud
met uw talen duizendvoud:
Gij die kwinkt en gij, die kwedelt,
gij, die schuifelt en die vedelt,

gij, die wistelt en die teutert,
gij, die knotert en die kneutert,
gij, die wispelt en die fluit,
  gij, die tjiept en tiereluit,
gij die tatert en die kwettert,
gij, die klapt en lacht en schettert,
vezelt, orgelt, zingt en speelt,
lispelt, ritselt, tjelpt en kweelt,
gij die kwinkelt lijk de vinken
en alom gaat slaan en klinken...'*)

De ontknoping is enigszins ontnuchterend. Gezelle was toen hij dit schreef volgens zijn biograaf Michel van der Plas ­n­a­me­lijk begin­nend leraar in het vak Natuurlijke Historie en hij wilde een verza­me­ling opge­zette dieren aanleggen om tentoon te stellen. De bedoeling van dit gedicht was bij begun­stigers exemplaren los te kloppen voor zijn kabinet. Hij deed dat op een indirecte manier, door de vo­gels zelf te laten spreken tot hun soortgenoten:

'Komt ten voglenparadijzen,
waar gij eeuwig leven zult,
heel onsterflijk, - opgevuld -'

Gekwinkeleer in verkiezingstijd

Gekwinkeleer zal in dit vogelparadijs ongetwijfeld niet geklonken hebben. Politici daarentegen kwinke­leren er vooral in verkiezingstijd duch­tig op los. Onlangs hoor­de ik er een, op pad in de ­campag­ne, let­terlijk het vol­gende zeg­gen: 'Er ligt een behoorlijk plaatje op tafel, maar de partijen hebben de bal niet opgeraapt. Het ont­breekt aan een heldere insteek naar de kiezers toe.' Brrr. Rond de ver­kie­zingen wa­ren de media voortdurend vergeven van zulke kletskop­pen. Aan hen draag ik het volgende ge­dicht op:

Broeders in de politiek
met uw woordacrobatiek:
Gij, die smoest en gij, die kwebbelt,
gij, die ratelt en die rebbelt,

gij, die wauwelt en die babbelt,
gij, die stelt en weer terugkrabbelt,
gij, die antwoordt en ontwijkt,
gij, die zevert en die zeikt,
  gij, die snatert en orakelt
gij, die praat en grapt en kakelt,
smiespelt, leutert, klept en kletst,
bazelt, schettert, zwamt en zwetst,
gij, die steeds als papagaaien
'tzelfde verhaal staat af te draaien...

Gaat toch naar Madame Tussauds,
want gekneed tot was, gestold in tijd,
zijt ge stil tot in de eeuwigheid.

De Baka-pygmeeën kennen één God, genaamd Komba. Die God heeft mijn hart gestolen. Het ergste wat je hem kunt aandoen, is al te erg kletsen of ander lawaai maken, waardoor hij de bijen niet hoort.

Tekst: Jos Schoots

 

*) Het hele gedicht vind je hier.